In het Philadelphia Museum of Art staat een urinoir. Het is een van de meest gefotografeerde objecten in de westerse kunstgeschiedenis, en toeristen staan er dagelijks voor met de lichte verbijstering van mensen die betaald hebben om iets niet te begrijpen. Sommigen knikken. Anderen fotograferen het en besluiten later thuis wat ze ervan vinden. Het urinoir zelf heeft hier geen mening over. Het staat er al decennia. Het heeft tijd.
Het is - voor alle duidelijkheid - niet te zien in Currently Unavailable, de tentoonstelling die Coppejans Gallery en Gert Junes Gallery presenteren in hun respectieve galerij.
Dat is precies de bedoeling.
Zes werken die de kunstgeschiedenis hebben veranderd, zijn uitgenodigd. Ze hebben de invitatie beleefd afgewezen. Ze zijn en blijven elders. Onbeschikbaar. Currently unavailable, zoals een klantenservicemedewerker het zou formuleren die slecht nieuws inpakt als vriendelijke onvermijdelijkheid en er zelf ook niets aan kan doen. In hun plaats hangen en staan werken van de kunstenaars die beide galerijen vertegenwoordigen - geselecteerd omwille van wat ze te danken hebben aan de afwezige grootmeesters. De tentoonstelling als stamboom. Of misschien eerder: als schuldbekentenis. Dit werk bestaat omdat dat werk bestond.
Het is een gedachte die je aanvankelijk luchtig opvat. Dat verandert.
Wat je doet als het werk er niet is
Je kijkt anders. Dat was het eerste wat me opviel, ergens in de tweede ruimte, voor een werk dat me aankeek op een manier die ik niet meteen kon plaatsen. De afwezige grootmeester - ik zal hem hier niet noemen, het mysterie is van de makers - was voelbaar als een lichte druk achter het netvlies. Niet storend. Eerder: structurerend. Alsof de lege plek een concentratie afdwingt die aanwezigheid soms net mist.
We zijn gewend aan kunst die zich aandient. Die zegt: kijk naar mij. Die, indien nodig, een bordje heeft met een uitleg van drie alinea's over waarom u nu precies naar dit werk kijkt en wat u daarbij zou moeten voelen, afgesloten met een zin die begint met de kunstenaar onderzoekt en eindigt met iets over het menselijk lichaam of de maatschappij of allebei. Hier was geen bordje van die soort. Hier werd net gevraagd om te luisteren naar wat er niet werd gezegd.
De ervaring heeft iets weg van een gesprek waarbij de belangrijkste zin net voor je aankomt al is uitgesproken. Je bent er te laat voor - en toch voel je de naklank. Je reconstrueert. Je vult in. En ergens in dat invullen gebeurt iets wat tentoonstellingen met aanwezige meesterwerken zelden voor elkaar krijgen: je wordt actief deelnemer in plaats van passief toeschouwer. Je bent niet langer iemand die naar kunst kijkt. Je bent iemand die kunst denkt.
Dat is oncomfortabel op een manier die ik waardeer.
Twee galerijhouders en een rechte rug
Er hangt een snuifje Belgisch absurdisme over het geheel. De vrolijke ernst waarmee hier een fundamenteel onmogelijke tentoonstelling wordt gepresenteerd alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Stijn Coppejans en Gert Junes nodigen de beste werken ter wereld uit, incasseren de afzegging met waardigheid, en komen vervolgens met the next best thing.
Want wat is the next best thing als de maatstaf een urinoir is die de definitie van kunst voorgoed opengebroken heeft? Dan is het antwoord minder een troostprijs dan een erfenis. Dan is elk werk dat er hangt tegelijk een antwoord op een vraag die decennia geleden werd gesteld door iemand die zelf ook niet zeker was van het antwoord. En dan worden twee galerijen in Antwerpen, voor de duur van een maand, de plek waar die vraag opnieuw gesteld wordt. Discreet, met droge humor, op twee adressen.
Die combinatie van locaties is op zich al een statement. Twee galerijen, één tentoonstelling, geen centrale as. Je moet bewegen om de expo te zien. Je moet kiezen waar je begint. Je loopt van het ene adres naar het andere en onderweg denk je na over wat je net hebt gezien en wat je zo dadelijk zult zien. De stad wordt tussenruimte. Antwerpen wordt de gang tussen twee zalen.
Currently Unavailable, Coppejans Gallery en Gert JunesEen museum dat niet bestond
Ergens op de achtergrond van dit alles waart de geest van Daniel Buren rond. Niet uitgenodigd, niet vermeld, maar aanwezig als geestesgenoot van de tweede rang. In 2002 toonde hij in het Centre Pompidou een tentoonstelling onder de titel Le Musée qui n'existait pas - het museum dat niet bestond - en formuleerde daarin zijn bekendste these: exposer dans un musée, c'est aussi exposer le musée. Een tentoonstelling tonen is ook het museum tonen. Het kader is het werk. De instelling is de boodschap.
Coppejans en Junes draaien die redenering nog een kwartslag verder. Bij hen wordt niet het museum tentoongesteld, maar de afwezigheid van het werk. De galerij als lege envelop. Het kader zonder inhoud . Of beter, de leegte als enige inhoud die er ooit was. Buren maakte het instituut zichtbaar door er zijn gestreepte doeken in te wentelen. Zij maken de kunstgeschiedenis zichtbaar door haar er bewust uit te houden. Verschillende methode, verwante obsessie: de vraag wat er eigenlijk te zien is als je naar kunst kijkt.
Het antwoord, in beide gevallen, is verontrustend simpel: meer dan je dacht.
Wanneer bestaat een kunstwerk eigenlijk?
Wanneer het voor je staat? Wanneer je het herinnert? Wanneer je het voor de eerste keer zag in een boek op je zestiende en dacht: zoiets wil ik ook maken - en vervolgens twintig jaar later iets maakt dat er niets van weg heeft maar er zonder dat boek nooit had kunnen zijn?
Of bestaat een werk pas echt op het moment dat het iets in gang heeft gezet dat het zelf niet meer kan controleren?
Die laatste mogelijkheid is hier de stille these. De zes afwezige werken zijn niet afwezig als erfenis. Ze zijn aanwezig in elk werk dat er, mede door hen, wél is. De tentoonstelling als bewijs. De levende kunstenaars als getuigen van een kunstgeschiedenis die niet ophoudt te werken, ook niet als het werk zelf ergens anders hangt - ergens in een museum waar toeristen er perplex voor staan en fluisterend aan elkaar vragen of dit nu echt kunst is.
Het antwoord is ja. Al meer dan honderd jaar.
Ik heb na mijn bezoek nagedacht over het bordje dat je soms in een museum ziet wanneer een werk tijdelijk is uitgeleend: dit werk bevindt zich momenteel elders. Dat bordje bedoelt het als excuus. Coppejans en Junes draaien het om. Bij hen is het bordje het werk. De afwezigheid is het statement. En het statement is oud genoeg om klassiek te zijn, maar vers genoeg om hier, in twee Antwerpse galerijen tijdens het drukste kunstweekend van het jaar, nog steeds te snijden.
Ik ben er tweemaal langs gelopen
Voor ik naar binnen ging omdat ik niet goed wist met welke galerie te beginnen. Want je weet op voorhand dat deze keuze bepalend is voor je kijkervaring. Een andere blik. Een andere houding. De bereidheid om je neer te leggen bij het feit dat hetgeen wat je zoekt er niet is - en dat dat misschien net het interessantste moment is. Het moment waarop je stopt met zoeken naar wat er zou moeten zijn en begint te kijken naar wat er is.
Dat klinkt als een levensles. Het is gewoon een goede tentoonstelling. De tweede keer was ik blij dat ik er toch in stapte.